U bent hier

Correctionele rechtbank Brugge, 25 april 2006

Deze twee zaken werden samengevoegd. Het hoofddossier betreft zes beklaagden, waaronder een vennootschap naar Portugees recht “M.C.” vervolgd voor economische exploitatie (vroeger artikel 77 bis van de wet van 15 december 1980), met als verzwarende omstandigheden de gewoonte en vereniging. Zij worden ook vervolgd voor inbreuken op het sociale strafrecht.

Het parket vroeg eveneens de bijzondere verbeurdverklaring (artikel 42 en 43 bis SW.) van de vermogensvoordelen die uit de misdrijven verkregen werden.

Er wordt aan de beklaagden verweten dat ze meer dan 60 arbeiders, voornamelijk van Litouwse afkomst, tussen 1997 en 2000 illegaal hebben tewerkgesteld en uitgebuit. Ze dienden een luxeschip te renoveren dat te Zeebrugge was aangemeerd en eigendom was van de vennootschap M.C. die toebehoorde aan de hoofdbeklaagde, een zakenman.

Talrijke arbeiders hebben bij hun ondervraging verklaard dat ze zich bedrogen voelden wanneer bleek dat ze illegaal werden tewerk gesteld of dat ze minder verdienden of zouden verdienen dan wat hen beloofd was.

De rechtbank vangt aan met de aanpassing van de dagvaarding en onderzoekt de toepassing van de wet in de tijd. Zo stelt ze vast dat de feiten strafbaar waren onder de toepassing van het vroegere artikel 77 bis van de wet van 15 december 1980 en nog steeds strafbaar zijn na de in voege treding van de wet van 10 augustus 2005 die artikel 77 bis wijzigde. De nieuwe wet voorzag evenwel strengere straffen en daarom meent de rechtbank dat het de straffen moet toepassen die door de vroegere artikels voorzien waren (artikels 77 bis, § 1, 2 en 3).

De rechtbank wijst er op dat de wet van 10 augustus 2005 de bepalingen inzake mensenhandel grondig heeft gewijzigd. Eén van deze wijzigingen bestaat er in dat de mensenhandel om exploitatie via arbeid te verwezenlijken strafbaar is, onafgezien of het slachtoffer al dan niet de Belgische nationaliteit heeft. Mensenhandel vereist thans slechts twee elementen: beweging en exploitatie, zonder dat er nog sprake is van het gebruik van bijzondere modus operandi (listige kunstgrepen, dwang,…). Het begrip “voorgenomen of daadwerkelijke uitbuiting” betekent dat men heeft willen profijt halen uit de activiteit mensenhandel en dat er daadwerkelijk ook sprake is van profijt. De vaststelling dat er een inbreuk werd gepleegd op de sociale wetgeving volstaat niet om te besluiten tot economische uitbuiting en dus tot mensenhandel.

Verder stelt de rechtbank dat overeenkomstig het nieuwe artikel 433 quinquies, § 1, 3° van het Strafwetboek er tewerkstelling moet zijn in omstandigheden die strijdig zijn met de menselijke waardigheid om te kunnen spreken van economische exploitatie. De wet verduidelijkt evenwel niet wat dient verstaan te worden onder “aan het werk zetten in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid”. Daarom verwijst de rechtbank naar de memorie van toelichting waarin gesteld wordt dat om deze voorwaarden vast te stellen verschillende elementen dienen in aanmerking te worden genomen zoals het loon, de werkomgeving en de arbeidsomstandigheden (niet vergoede diensten, loon dat manifest niet in verhouding is tot het aantal gepresteerde uren of lager is dan het gemiddeld minimumloon voorzien door de collectieve arbeidsovereenkomsten).

De verdediging van de hoofdbeklaagde bestond er in dat het niet om werknemers ging maar om een bemanning. De rechtbank gaat deze stelling weerleggen door zich op verschillende inbreuken te steunen. Beklaagden hebben inderdaad geprobeerd om een schijn van wettelijkheid op te roepen ten aanzien van de Litouwse arbeiders door ze als bemanning voor te stellen waarop dan ook de Portugese wetgeving inzake sociale zekerheid van toepassing zou zijn. De rechtbank stelt vast dat uit de gegevens van het strafdossier blijkt dat de Litouwers geen bemanningsleden waren maar specialisten die onder de toepassing vielen van de Belgische sociale zekerheid, dat de boot niet in staat was om te varen en dat de Litouwers duidelijk naar België gebracht werden om werkzaamheden uit te voeren aan de boot.

Daaruit leidt de rechtbank af dat er een duidelijke organisatie bestond met het oog om de Litouwers naar België te laten komen en ze illegaal tewerk te stellen onder het mom van een bemanning. Ze waren ter plaatse ingehuurd via een interim agentschap.

De rechtbank weerhoudt de tenlastelegging mensenhandel op grond van volgende elementen:

- er werd gebruik gemaakt van listige kunstgrepen in de zin van artikel 77 quater, 3° van de vreemdelingenwet: deze blijken uit het feit dat bij de arbeiders valse verwachtingen werden opgewekt gelet op hun bijzonder kwetsbare situatie (werkloosheid en lage lonen in Litouwen). Daarenboven dienden ze nog 500 USD te betalen vooraleer ze naar België gebracht werden, of kwamen ze aan in een afhankelijkheidspositie en werden ze tewerk gesteld tegen lage lonen en in kwetsbare omstandigheden.
- Beklaagden hebben een aanzienlijk vermogensvoordeel gehaald uit de financiële constructie die ze hadden opgezet: goedkope Litouwers, in het bezit van een vaarboekje laten overkomen en ze daarna opgeven als bemanningslid van de te restaureren boot. Overigens blijkt uit de in beslag genomen documenten dat er berekeningen werden gemaakt aangaande de lonen van de Litouwers (namelijk de “winst” per Litouwer, en meer bepaald de vergelijking tussen de winst die zou geboekt worden naargelang het om een Belgische of Litouwse werkkracht ging: de kost van het basisuurloon bedroeg voor een Belg 1000 BF (25 €) en voor een Litouwer 200BF).

Verder stelt de rechtbank dat er sprake is van mensenhandel wanneer de arbeiders worden te werk gesteld in een werkklimaat dat niet conform is aan de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van werknemers en dat het minimumloon niet wordt nageleefd. Op basis van documenten die bij de boekhouder werden in beslag genomen bleek dat de arbeiders bijzonder lage lonen ontvingen, zes dagen per week werkten, meestal 10 of 11 uren per dag en op zaterdag enkel in de voormiddag. Daarenboven werden tal van gebreken vastgesteld inzake de werkomstandigheden:
- aan boord van het schip (onvoldoende verluchting, gevaarlijke openingen, risico op valpartijen op het dek zonder preventieve of beschermingsmaatregelen,…)
- in de barakken, waar de Litouwers in erbarmelijke omstandigheden logeerden,
- op de kade (niet conforme sanitaire installaties, onvoldoende netheid,…).

De rechtbank weerhoudt eveneens de verzwarende omstandigheden van gewoonte en vereniging.

De rechtbank spreekt evenwel de beklaagden vrij voor de inbreuk mensenhandel (tenlastelegging B) ten aanzien van een paar andere arbeiders gelet op het feit dat de arbeider die werd uitgewezen daarna vrijwillig terugkwam en er dus ten aanzien van deze persoon moeilijk van uitbuiting kon gesproken worden (hij verdiende 3 maal meer dan in Litouwen, kreeg te eten en logeerde gratis).

Voor drie andere arbeiders (tenlastelegging C) meent de rechtbank dat er wel degelijk sprake is van inbreuk op de sociale wetgeving doch dit volstaat niet opdat de inbreuk mensenhandel zou bewezen zijn. Het dossier bevat geen gegevens aangaande de levens- en arbeidsomstandigheden van deze arbeiders noch zijn er duidelijke aanwijzingen over de betaalde lonen.

De rechtbank acht de verschillende inbreuken op het sociaal strafrecht bewezen.

De rechtbank spreekt in hoofde van de vennootschap M.C. de bijzondere verbeurdverklaring per equivalent uit ten belope van het bedrag gevorderd door het openbaar ministerie.

De beklaagden worden veroordeeld tot straffen die gaan van 6 tot 18 maanden met uitstel en de vennootschap tot een boete met uitstel.

Het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding had zich burgerlijke partij gesteld. De rechtbank erkent dat de feiten een inbreuk plegen op de doelstellingen van het Centrum en dat er schade berokkend is. Maar aangezien het Centrum de hoegrootheid van de materiële schade niet aantoont (begeleiding slachtoffers, ter beschikking stellen van personeel) krijgt het enkel morele schadevergoeding begroot ex aequo et bono op 500 €.

Deze beslissing is deels gewijzigd door het Hof van Beroep te Gent in een arrest van 18 februari 2010.  

Commentaar: deze zaak wordt behandeld in ons jaarverslag mensenhandel “slachtoffers in beeld”, gepubliceerd in juli 2007 en in ons jaarverslag 2008 "bestrijden met mensen en middelen".

Downloads

Slachtoffer van discriminatie?
Volg ons op social media

twitter facebook youtube

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van de activiteiten van het Centrum: schrijf u in op onze nieuwsbrief.

Perscontact

Federaal Migratiecentrum

Tom Vanhoren
T
02 212 30 62
toho
(apenstaartje)cntr(punt)be

Interfederaal Gelijkekansencentrum

Davy Coolen
T
02 212 30 41
E daco(apenstaartje)cntr(punt)be