Hoe percipiƫren moslims discriminatie?
28/05/2009
Tweede EU-MIDIS rapport van de FRA
Het Bureau van de Europese Unie voor de Grondrechten (FRA), een orgaan van de Europese Unie dat in maart 2007 opgericht werd om de lidstaten en Europese instellingen te ondersteunen inzake de grondrechten, publiceert vandaag zijn tweede EU-MIDIS rapport. Dit rapport, dat handelt over de perceptie van discriminatie door personen die zichzelf moslim noemen, maakt deel uit van een grotere studie over de perceptie van discriminatie door migranten of ethnische minderheden (EU-MIDIS, of de ‘European Union Minorities and Discrimination Survey’1 ). Deze onderzoeken zijn gebaseerd op de perceptie van discriminatie en niet op erkende feiten van discriminatie2.
Het FRA merkt volgende tendensen op:
- Gemiddeld één op drie van de ondervraagde personen verklaarde het afgelopen jaar slachtoffer van discriminatie geweest te zijn. In België gaat het over 33% van de ondervraagde moslims van Noord-Afrikaanse herkomst en 20% van de ondervraagde moslims van Turkse herkomst.
- Wat de leeftijdsgroep betreft, rapporteerden vooral jonge moslims (16-24 jaar) dat zij te maken kregen met discriminatie.
- 79% van de ondervraagden gaven aan dat ze voorvallen van discriminatie en zelfs raciaal geweld niet melden bij een bevoegde instelling. Deze tendens is vooral waar te nemen bij jongeren en mensen die pas recent in het gastland verblijven. Als reden hiervoor, vermelden ze dat dit volgens hen “niets verandert” (38%), “niet de moeite is, omdat dat schering en inslag is” (38%) en dat ze niet weten tot wie ze zich hiervoor moeten richten (33%).
- Discriminatie is het grootst op de arbeidsmarkt, maar raakt ook andere sectoren van het dagelijkse leven (huisvesting, goederen en diensten, …).
Het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (Centrum) benadrukt drie opvallende elementen uit dit rapport.
Eerst en vooral valt de grote kloof op tussen het aantal gemelde voorvallen van discriminatie (de zogenaamde ‘officiële cijfers’) en de discriminaties die moslims zelf waarnemen. De meldingen die het Centrum en andere instellingen ontvangen, geven bepaalde tendensen weer, maar geven zeker geen totaalbeeld van de discriminatie in België.
Bovendien is het vaak moeilijk om racisme en discriminatie op basis van religie te onderscheiden. Op Europees niveau meent 51% van de ondervraagde moslims dat discriminatie op basis van religie of geloofsovertuiging ‘erg’ of ‘behoorlijk’ verspreid is. Slechts 10% van de ondervraagden schrijft de discriminatie waarmee ze geconfronteerd werden toe aan hun religieuze overtuiging. Zoals het rapport meldt, is het onderscheid tussen raciale en religieuze discriminatie niet altijd duidelijk.
Daarnaast wijst het rapport op een gebrek aan vertrouwen in de wetten en instellingen die strijden tegen racisme en discriminaties. In België kent amper 11,2% van de ondervraagde moslims van Turkse herkomst een organisatie die hen hierin zou kunnen bijstaan. Wat de ondervraagden van Noord-Afrikaanse herkomst betreft, gaat het om 20%. Meer zelfs, 51% van de ondervraagden van Turkse herkomst en 42% van de ondervraagden van Noord-Afrikaanse herkomst weten niet dat discriminatie op basis van herkomst verboden is op de arbeidsmarkt.
“Dat betekent niet dat het Centrum en de andere betrokken organisaties onvoldoende werken, maar dat er integendeel nog veel werk is”, verduidelijkt Jozef De Witte, directeur van het Centrum. Bovendien is het ook moeilijk om de juiste doelgroepen te informeren: “Dat de informatie de meest kwetsbare personen niet bereikt, is de Achilleshiel van het antidiscriminatiedispositief. Toch groeit de samenwerking tussen de actoren in de strijd tegen discriminatie. Er komen almaar meer meldpunten voor discriminatie op initiatief van de gewesten en gemeenschappen en in samenwerking met het Centrum”.
Een derde vaststelling betreft het gebrek aan vertrouwen in openbare instellingen. Het rapport wijst vooral op een ernstig gebrek aan vertrouwen in de politiediensten. Bijna één op vier van de ondervraagden werd de afgelopen twaalf maanden door de politie gecontroleerd of aangehouden. 57% van de ondervraagden van Noord-Afrikaanse herkomst en 37% van de ondervraagden van Turkse herkomst meent dat dit louter op basis van hun etnische herkomst gebeurde. “Het Centrum organiseert regelmatig vormingen voor de federale politie en voor politiezones in samenwerking met de directie van de vormingsdienst van de federale politie. Deze vormingen gaan over stereotiepen en vooroordelen, de antiracisme- en antidiscriminatiewetten, het vaststellen van discriminerende daden en de registratie van racistische delicten of haatmisdrijven. Dit is een dubbele uitdaging: enerzijds maken de ordediensten zichzelf soms schuldig aan racisme of discriminatie en anderzijds laten agenten het soms na het racistische karakter van incidenten vast te stellen”, zegt De Witte.
Het FRA-rapport geeft nog mee om op beleidsniveau in de strijd tegen discriminatie meer interesse te tonen voor de impact van het beleid op moslims. Het Centrum werkt aan dit vraagstuk en probeert discriminatie op basis van religie beter te identificeren. Religie is immers een criterium dat beschermd wordt door de antidiscriminatiewetgeving (wet van 10 mei 2007).
Het rapport ‘Data in Focus/Moslims, EU-MIDIS’ van het European Union Agency for Fundamental Rights is beschikbaar op de website van het FRA http://fra.europa.eu/eu-midis.
--
1 Een eerste rapport werd gepubliceerd in april 2009 (cf. persbericht van het Centrum van 22 april 2009).
2 In België ondervroeg het FRA de Noord-Afrikaanse en Turkse gemeenschappen van Brussel en Antwerpen.