Vanaf 2 juli 2008 ook beschikbaar in Vlaamse gebarentaal
In 2000 werd een Europese richtlijn aangenomen die discriminatie op basis van godsdienst of levensbeschouwelijke overtuiging, handicap, leeftijd en seksuele geaardheid verbiedt (2000/78/EU).
Deze richtlijn heeft tot doel de gelijke behandeling te waarborgen in het kader van arbeid, tewerkstelling en beroepsopleiding.
In België is deze richtlijn omgezet in nationale wetgeving met de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie.
De wet van 10 mei 2007 verbiedt discriminatie op grond van volgende beschermde criteria: leeftijd, seksuele geaardheid, handicap, geloof of levensbeschouwing, burgerlijke staat, geboorte, vermogen, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, taal, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een fysieke of genetische eigenschap, en sociale afkomst.
De Antidiscriminatiewet van 10 mei 2007 vervangt dus de oudere Antidiscriminatiewet van 25 februari 2003 en dit met ingang van 9 juni 2007.
Het Centrum, dat slachtoffers van discriminatie opvangt en hen raad geeft, zag haar bevoegdheden door deze wet uitgebreid.
Discriminatiegronden waarvoor het Centrum bevoegd is
Discriminatiegronden waarvoor het Centrum niet bevoegd is
Toepassingsgebied van de Antidiscriminatiewet
| Lees hier de volledige Antidiscriminatiewet van 10 mei 2007 |
Discriminatiegronden waarvoor het Centrum bevoegd is
Het is de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding die de discriminatiegronden waarvoor het Centrum bevoegd is, opsomt.
Artikel 2 van deze wet stelt dat het Centrum als opdracht het bevorderen van de gelijkheid van kansen en het bestrijden van elke vorm van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur op grond van:
1° nationaliteit, zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming;
2° leeftijd, seksuele geaardheid, handicap, geloof of levensbeschouwing, burgerlijke staat, geboorte, vermogen, politieke overtuiging, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een fysieke of genetische eigenschap, en sociale afkomst.
Meer uitleg over de antiracismewetgeving vindt u op onze website onder de rubriek ‘racisme’.
Discriminatiegronden waarvoor het Centrum niet bevoegd is
Het Centrum is niet bevoegd om meldingen te behandelen van discriminatie op basis van geslacht (hiervoor is het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen bevoegd),op basis van taal (hiervoor wordt een bevoegd orgaan aangewezen) en op basis van syndicale overtuiging.
Toepassingsgebied
Het toepassingsgebied van de Antidiscriminatiewet strekt zich uit tot alle domeinen van het openbare leven. Hieronder zijn de belangrijkste: de sfeer van arbeid en tewerkstelling (zowel de overheids- als de privé-sector), het aanbod van goederen en diensten (horeca, handel, verhuur, verzekeringen, …), de sociale zekerheid en de gezondheidszorg, en de deelname aan economische, sociale, culturele of politieke activiteiten die open staan voor het publiek.
De Antidiscriminatiewet is een federale wet en is bijgevolg niet van toepassing op de aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de Gemeenschappen en de Gewesten vallen. De Gemeenschappen en Gewesten namen zelf afzonderlijke wetgevende initiatieven om de gelijke behandeling te waarborgen in de aangelegenheden waarvoor zij bevoegd zijn en dit conform de Europese Richtlijnen.
Opgelet! Een direct of indirect onderscheid op grond van een beschermd criterium is geen vorm van directe of indirecte discriminatie wanneer dit onderscheid door of krachtens een wet wordt opgelegd.
Directe discriminatie
Volgens de Antidiscriminatiewet is er sprake van directe discriminatie wanneer een direct onderscheid op grond van een beschermd criterium tot gevolg heeft dat een persoon minder gunstig wordt behandeld dan een andere persoon in een vergelijkbare situatie en wanneer hiervoor geen rechtvaardiging kan gegeven worden.
Bv Men weigert een persoon met een handicap de toegang tot een restaurant omwille van het feit dat deze persoon een rolstoelgebruiker is.
Bv Men weigert een homoseksuele persoon aan te werven omwille van de seksuele geaardheid van deze persoon.
Objectieve rechtvaardiging
De Belgische Antidiscriminatiewet heeft een zogenaamd ‘open’ systeem waarin directe discriminatie verboden is behalve wanneer een direct onderscheid gebaseerd is op een objectieve en redelijke rechtvaardiging.
Een direct onderscheid is gerechtvaardigd:
– wanneer de maatregel beantwoordt aan een legitiem doel én
– wanneer de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
Elke situatie is uniek en wordt geval per geval beoordeeld rekening houdend met alle relevante kenmerken.
In het domein van de arbeidsrelaties is geen enkel direct onderscheid toegelaten op grond van leeftijd, seksuele geaardheid, handicap, religieuze en filosofische overtuiging behalve wanneer een direct onderscheid op grond van één van deze criteria, vanwege de aard van een beroepsactiviteit of de context waarin deze wordt uitgevoerd, een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste vormt, mits het doel legitiem en het vereiste evenredig is aan dat doel.
Bv Een modellenbureau mag als voorwaarde stellen dat kandidaat-modellen de minimale leeftijd van 50 jaar hebben als de opdracht er uit bestaat te poseren voor de cover van een tijdschrift dat zich specifiek richt tot 50-plussers.
Een direct onderscheid in het domein van de arbeidsrelaties op grond van de burgerlijke staat, de geboorte, het vermogen, de politieke overtuiging, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, fysieke of genetische eigenschap en sociale afkomst is niet toegelaten tenzij het objectief kan gerechtvaardigd worden.
Indirecte discriminatie
Schijnbaar neutrale maatregelen (reglementen, bedrijfscultuur, …) kunnen als effect hebben dat personen op basis van een discriminatiegrond bijzonder benadeeld worden. Men spreekt dan van indirecte discriminatie als deze maatregelen niet gerechtvaardigd kunnen worden.
Bv Een kankerpatiënt(e) met een bandana de toegang tot een discotheek weigeren omdat hoofddeksels niet toegelaten zijn.
De obstakels waarmee personen met een handicap in het publieke domein worden geconfronteerd zijn vaak het gevolg van een onaangepaste omgeving. Dankzij een aanpassing, of concrete maatregelen kunnen deze obstakels dikwijls geneutraliseerd worden. Daarom voorziet de wet dat het ontbreken van redelijke aanpassingen voor personen met een handicap een indirecte vorm van discriminatie inhoudt.
Bv Een slechtziende persoon met een assistentiehond de toegang tot een winkel weigeren omdat dieren niet toegelaten worden.
Intimidatie
De Antidiscriminatiewet verbiedt eveneens bepaalde vormen van ongewenst gedrag dat verband houdt met één van de beschermde criteria, en dat tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.
Op intimidatie op grond van één van de beschermde criteria binnen de arbeidssfeer is niet de Antidiscriminatiewet van toepassing, maar wel de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Deze slachtoffers worden ook opgevangen en bijgestaan door het Centrum.
Bv Een jongeman wordt lastiggevallen en gepest op het werk nadat hij zijn coming-out heeft gedaan.
Discriminatie is verboden
De Antidiscriminatiewet geeft slachtoffers van discriminatie de mogelijkheid de discriminatie te doen stoppen, onder meer door een beroep te doen op een advocaat, een vakbond of een dienst die strijdt tegen discriminatie. De wet voorziet de mogelijkheid juridische actie te ondernemen voor een burgerlijke rechtbank. De Antidiscriminatiewet voorziet ook in de bescherming van slachtoffers en getuigen van discriminatie tegen nadelige maatregelen wegens het indienen van een klacht of het optreden als getuige. Indien de rechter de discriminatie erkent, kan hij aan het slachtoffer een forfaitaire schadevergoeding toekennen.
De Antidiscriminatiewet is ook een strafwet die aanzetten tot discriminatie, haat of geweld bestraft. Ze geeft de mogelijkheid om haatmisdrijven strenger te bestraffen.
Bv Een persoon met een handicap wordt in elkaar geslagen. Het onderzoek wijst uit dat de dader de slagen toebracht omdat de persoon een handicap heeft. Deze persoon werd dus geslagen omwille van zijn handicap, wat een verwerpelijke beweegreden of een verzwarende omstandigheid is. De rechter heeft de mogelijkheid de minimumstraf te verdubbelen.
Blijf op de hoogte van de activiteiten van het Centrum: schrijf u in op onze nieuwsbrief.

