VN-Verdrag Handicap
Hoewel mensen met een handicap ongeveer 15% van de wereldbevolking uitmaken, stoten ze ook vandaag nog op heel wat hindernissen die hun actieve en daadwerkelijke participatie aan het politieke, economische, sociale en culturele leven in de weg staan. Om aan deze situatie een einde te maken, keurde de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 13 december 2006 unaniem het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap goed.
Deze tekst, die met de massale steun van organisaties van personen met een handicap werd goedgekeurd, huldigt twee belangrijke principes:
enerzijds definieert deze een handicap als een evolutief en systemisch begrip: een handicap is het resultaat van een wisselwerking tussen een persoon met een beperking en de obstakels waarmee een niet-inclusieve samenleving hem of haar confronteert;
anderzijds luidt deze een echte mentaliteitsverandering rond handicap in: een mens met een handicap is niet langer iemand zonder stem of mening die afhankelijk is van hulp of liefdadigheid, maar een persoon met rechten, net als alle andere burgers.
België ondertekende het verdrag inzake de rechten van personen met een handicap op 30 maart 2007 en ratificeerde het op 2 juli 2009. Het verdrag trad op 1 augustus 2009 in België in werking.
België diende in juli 2011 zijn eerste periodieke rapport in bij het Comité inzake de rechten van personen met een handicap van de Verenigde Naties. Dit rapport werd geschreven op basis van bijdrages van alle federale en gefedereerde entiteiten in ons land. Het geeft een overzicht van de maatregelen die België tot nu toe heeft genomen om de rechten van personen met een handicap te verwezenlijken.
Het verdrag op nationaal vlak
Om bij de uitvoering zo goed mogelijk rekening te houden met de door de mensen met een handicap (en hun omgeving) en belangenorganisaties van personen met een handicap ervaren dagelijkse realiteit, vraagt het verdrag om – bovenop de eigen internationale systemen – nationale instanties op te richten die in de landen die het hebben ondertekend, op de toepassing van het verdrag moeten toezien.
Artikel 33 § 2 van het verdrag gaat dieper in op deze verschillende instanties: ‘In overeenstemming met hun rechts- en administratieve systeem onderhouden en versterken de staten die partij zijn op hun grondgebied een kader, met onder meer een of meer onafhankelijke instanties, al naargelang, om de uitvoering van dit verdrag te bevorderen, te beschermen en op te volgen of wijzen daarvoor een instantie aan of richten die op.’
Om de toepassing van het verdrag te bevorderen, moet elke staat daartoe onafhankelijke instanties aanwijzen of oprichten. Die moeten in nauw overleg met de sector van personen met een handicap verzekeren dat er gewerkt wordt aan een omgeving waarin mensen met een handicap hun rechten ten volle kunnen laten gelden in overeenstemming met het verdrag. Deze instanties moeten ook voldoen aan de Principes van Parijs die de werking van de nationale mensenrechteninstellingen regelt en hun onafhankelijkheid en pluralisme garandeert.
Een onafhankelijke instantie
Op de interministeriële conferentie van 12 juli 2011 hebben de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten samen beslist om het mandaat tot oprichting en uitbouw van de onafhankelijke instantie toe te vertrouwen aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding. Deze onafhankelijke overheidsinstelling is krachtens de Wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie sinds 2003 bevoegd voor materies die verband houden met handicap. Het Centrum beschikt hierdoor over heel wat ervaring en expertise in verband met dit onderwerp.
Opdrachten
De onafhankelijke instantie moet de uitvoering van het verdrag bevorderen, beschermen en opvolgen, zoals bepaald in artikel 33 § 2 van het verdrag.
De bevorderingsopdracht bestaat erin om personen met een handicap en de betrokken organisaties en verenigingen informatie te verstrekken over en bewust te maken van het bestaan van het verdrag, van zijn opzet en van de rechten die het garandeert. Het gaat zowel om algemene bewustmakings- en informatieactiviteiten over het verdrag voor de sector en het grote publiek, als om meer gerichte acties om bepaalde rechten af te dwingen.
De beschermingsopdracht bestaat erin om volledig onafhankelijk juridisch advies te verstrekken en om mensen te begeleiden die van oordeel zijn dat hun rechten werden geschonden. Het gaat onder meer om het behandelen van of het bemiddelen bij individuele klachten, om juridische bijstand, om tussenkomsten als derde partij voor het gerecht enz. De onafhankelijke instantie mag individuele klachten in ontvangst nemen, heeft toegang tot de informatie die nodig is om die klachten te beoordelen en kan op basis van deze klachten eventueel aanbevelingen voor de overheid formuleren.
De opvolgingsopdracht bestaat erin om na te gaan of de wetgeving, het gevoerde beleid en de nationale praktijken stroken met het verdrag. Het is tevens de bedoeling om na te gaan of de maatregelen die de overheid neemt, wel degelijk een optimale toepassing van het verdrag op nationaal vlak garanderen. Het gaat onder meer om het verzamelen van informatie, het invoeren van indicatoren op basis van de mensenrechten, het toepassen van aanbevelingen, het uitvoeren van studies of het verrichten van onderzoek naar de ervaringen van personen met een handicap, het voorstellen van strategische beleidslijnen aan mensen die beslissingen nemen en aan verkozenen, enz.
Werking
Om die opdracht zo goed mogelijk te vervullen, heeft het Centrum binnen haar werking een speciale dienst en een daarmee samenhangende begeleidingscommissie opgericht.
De dienst staat samen met de andere afdelingen van het Centrum in voor het bevorderen, beschermen en volgen van de onafhankelijke instantie. Hij moet ook het strategische driejarenplan en de jaaractieplannen voorbereiden. De dienst kan hiervoor een beroep doen op een vijfkoppig team (vier medewerkers en een diensthoofd) met een heel uiteenlopende achtergrond en dito ervaring, zoals het verdrag aanbeveelt.
De begeleidingscommissie verzekert de vertegenwoordiging en de participatie van het maatschappelijk middenveld. Ze telt 23 leden (11 Nederlandstaligen, 11 Franstaligen en 1 Duitstalige). Die zijn afkomstig uit de verenigingen van personen met een handicap, de academische wereld, sociale partners en zijn afgevaardigd voor hun kennis van, hun ervaring met en hun belangstelling voor rechten van mensen met een handicap. De commissie keurt het strategisch driejarenplan en de jaaractieplannen goed en steunt de werking van de dienst.
Om de 3 jaar ondergaat de onafhankelijke instantie een externe audit.


Print this page